Goud in het geldsysteem

Begin jaren zeventig heeft Amerika onder president Nixon besloten de goudstandaard volledig los te laten. Vanaf dat moment kende de Dollar geen enkele dekking vanuit de eventuele Amerikaanse goudvoorraad meer. Het gevolg is geweest dat de Amerikaanse overheid steeds meer geld is gaan bijdrukken. Onder Bush jr. nam dit zulk een enorme omvang aan, dat de weg terug onmogelijk werd. Onder Obama werd vervolgens duidelijk dat het huidige systeem feitelijk over is, alleen zal de FED er alles aan doen om e.e.a. zo lang als ze kunnen te rekken. De hoeveelheid dollars die bijgedrukt worden is echter zo groot dat het gevaar van hyperinflatie om de hoek ligt.

Hoewel inflatie ook bij een goudstandaard bestaat, heeft een goudstandaard het voordeel dat er geen geld bijverzonnen kan worden. Tenminste, als iedereen zich daar dan ook aan houdt. Al heel vroeg in eerdere geldsystemen met als onderliggende waarde goud en zilver werd vroeger toch bijverzonnen omdat eerst de dekking 100% was, toen 50% en zo verder. Net zolang tot het weer wordt losgelaten, het hek volledig van de dam gaat en alles weer in het honderd gaat lopen. Daarna begint het circus gewoon weer van voor af aan.

Dat bijverzinnen was mogelijk op twee manieren.

1. Het percentage of gewicht van goud in munten verminderen. Het is ogenschijnlijk dezelfde munt, maar het is een goudlegering en geen puur goud meer, of de munt wordt simpelweg kleiner.

De beroemde ‘Gouden Tientjes’ die in guldens uitgegeven werden, hadden een goudpercentage van

900/1000 oftewel 21,6 karaat.

Nederland heeft deze geslagen tot 1933 toen de goudstandaard werd losgelaten. Nederland stopte toen met het uitgeven van deze munten, maar had er ook voor kunnen kiezen het aantal karaten te verminderen. In de Romeinse tijd was dat ook een weg die de verschillende keizers beliepen. Ook werden munten steeds kleiner. Uiteindelijk liep het allemaal stuk en ging ook het Romeinse rijk ten onder.

Overigens was de Romeinse Aureus in de tijd van Julius Ceasar een gouden munt van ruim 8 gram. Het goudpercentage bleef gedurende eeuwen officieel 99% alleen werd de munt gaandeweg steeds kleiner en daarmee het gewicht lager. Ook dat was mogelijk om de hoeveelheid benodigd goud te verminderen.

2. Je kan besluiten op basis van de aanwezige goudvoorraad geen gouden munten uit te geven, maar papiergeld of koperen muntjes dat het goud zal vertegenwoordigen. Je begint daarbij keurig 1 op 1. Echter wie komt erachter dat je een paar papiertjes of koperen muntjes meer uitgeeft dan dat je goud in de kluis hebt? Komt het uit, dan verklaar je simpelweg dat ieder papiertje of muntje voortaan nog voor slechts de helft in goud staat. Dit is de weg die Amerika liep. In 1971 was het de wereld duidelijk dat Amerika niet meer in staat was het goud te leveren dat garant moest staan voor de dollar. Toen Frankrijk dan ook de Amerikaanse bluf uitdaagde kon Nixon niet anders dan zijn goudvoorraad beschermen en het inwisselen van goud voor dollars te stoppen. Tegenwoordig is papier ook weer achterhaald. In feite zouden we geen fysiek geld meer nodig hebben. Geef iedereen een pinpas en eventueel een pinpaslezer en we kunnen ook onderling handelen. Het geld op de rekening zou dan bij een echte goudstandaard moeten staan voor een bepaalde hoeveelheid goud die op de rekening aanwezig is.